Eindelijk heb ik mijn moed bijeen geschraapt, uit elke krocht van mijn lijfje. Geschraapt, omdat ik daar toe gedwongen ben door onze sportredacteur wiens linkervoorpoot altijd in de bedelstand lijkt te staan en bovendien raar gevormde lange tenen heeft. Ik ken zijn lange tenen inmiddels maar al te goed. Altijd als ik hem zie, voel ik mij als de revolver van James Bond die in tweeën geknepen wordt door de mechanische voorpoot van Tee Hee Johnson. Als ingedrukte pianotoetsen drukken zijn tenen in mijn huid. De lange tenen van mijn baas daarentegen voelen aan als een tak met blaadjes die zachtjes over mijn vacht strijkt als ik door de struiken loop. Mijn baas en de sportredacteur zijn net gewone honden als B uce en ik. Net als bij de mensen kennen de mega grote honden ook verschil tussen hond en hond. De ene hond is dan ook meer “gewoon” dan de andere. Zo heb ik collega’s met een stuk blauwe vacht. Zij kijken nooit naar mij als ik naar hen kijk en zeggen mij geen gedag terwijl ik hen vriendelijk groet. Ik ken viervoeters met zes voeten: zij hebben vier voeten, net zoals ik, plus nog twee opgerolde voeten. En ik ken sip kijkende viervoeters die de hele dag met hun staart omlaag lopen. Want ook wij honden hebben, hoe mooi ons leven ook mag zijn, weleens last van een depressie. Ook al hebben wij geen last van deadlines, schoolstress en vervelende collega’s op het werk.
Hoewel een doorsnee hondenleven niet bolstaat van verplichtingen - behalve het dagelijkse rondje om, dat minimaal tweemaal daags voorkomt, en het moeten eten wanneer de baas aan het koken is - staat mijn leven als hond wel in het teken van iets extra’s. Ik probeer mij te ontwikkelen door het schrijven van een column. Zo wil ik mij profileren als de eerste schrijvende hond in Haarlem en omstreken, misschien wel van heel Nederland. En daar horen redactievergaderingen bij die bezocht moeten worden. Wanneer mijn baas naar het station rijdt om mijn collega redacteuren op te halen of af te zetten, zit ik graag bij hem op schoot. Om vervolgens bij aankomst enthousiast te blaffen en door de gangen van ons kantoorgebouw te racen. Tijdens de vergadering zit iedereen op een stoel aan tafel, alleen onze hoofdredactrice ligt op een troon aan het hoofd van de tafel. Ik luister aandachtig mee vanaf de grond, ook al begrijp ik er geen kluif van. Het enige waar ik tijdens de vergadering wel iets van begrijp is de boodschap die de geuren van vleeswaren op tafel uitzenden. “Eet mij”, roepen zij. Soms mag ik ze eten omdat ik een keertje niet blaf als de buren voorbijkomen. Na afloop ren ik naar buiten als een kleuter die voor het eerst naar de basisschool is geweest, om achter een kat aan te stoven. Dat is mijn pleziertje.
Is gekrabbeld,
Madelief
















